Naar de inhoud

Bijbelverzen over Civil Officer

32 verzen · 2 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Neemt u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle.

  2. Toen antwoorddet gij mij, en zeidet: Dit woord is goed, dat gij gesproken hebt, om te doen.

  3. Zo nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uw stammen.

  4. En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broederen, en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling.

  5. Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir; en Josafat, zoon van Achilud, was kanselier.

  6. En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.

  7. Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.

  8. Joab nu was over het ganse heir van Israel; en Benaja, de zoon van Jojada, over de Krethi en over de Plethi;

  9. En Adoram was over de schatting; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier;

  10. En Seja was schrijver; en Zadok en Abjathar waren priesters.

  11. En ook was Ira, de Jairiet, Davids opperofficier.

  12. Alzo was de koning Salomo koning over gans Israel.

  13. En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was opperambtman.

  14. Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.

  15. En Benaja, de zoon van Jojada, was over het heir; en Zadok en Abjathar waren priesters.

  16. En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, des konings vriend.

  17. En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.

  18. En Salomo had twaalf bestelmeesters over gans Israel, die den koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen.

  19. En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraim.

  20. De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.

  21. De zoon van Hesed in Arubboth; hij had daartoe Socho en het ganse land Hefer.

  22. De zoon van Abinadab had de ganse landstreek van Dor; deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot een vrouw.

  23. Baana, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het ganse Beth-Sean, hetwelk is bij Zartana, beneden van Jizreel, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehola, tot op gene zijde van Jokmeam.

  24. De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jair, den zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.

  25. Abinadab, de zoon van Iddo, was te Mahanaim.