Skip to content

Bijbelverzen over Bridegroom

34 verzen · 7 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.

  2. Bij Mij van den Libanon af, o bruid! kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amana, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.

  3. Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals.

  4. Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer olien dan alle specerijen!

  5. Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon.

  6. Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.

  7. Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus;

  8. Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloe, mitsgaders alle voornaamste specerijen.

  9. O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien!

  10. Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!

  11. Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE en gij werdt de Mijne.

  12. Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.

  13. Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde.

  14. Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals.

  15. Desgelijks deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon der heerlijkheid op uw hoofd.

  16. Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honig, en olie, en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.

  17. Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.

  18. Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, den bruidegom tegemoet.

  19. En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.

  20. Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich.

  21. Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.

  22. Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.

  23. En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!

  24. Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen.

  25. En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit.