Naar de inhoud

circa AD 95

The Revelation

John's vision on Patmos unveils the cosmic victory of the Lamb over evil and the final restoration of all creation.

404 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Openbaring 7:13ca. 96 n.Chr.

    En een uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Dezen, die bekleed zijn met de lange witte klederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?

  2. Openbaring 7:14ca. 96 n.Chr.

    En ik sprak tot hem: Heere, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.

  3. Openbaring 7:15ca. 96 n.Chr.

    Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op den troon zit, zal hen overschaduwen.

  4. Openbaring 7:16ca. 96 n.Chr.

    Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.

  5. Openbaring 7:17ca. 96 n.Chr.

    Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

  6. Openbaring 8:1ca. 96 n.Chr.

    En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur.

  7. Openbaring 8:2ca. 96 n.Chr.

    En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven.

  8. Openbaring 8:3ca. 96 n.Chr.

    En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor den troon is.

  9. Openbaring 8:4ca. 96 n.Chr.

    En de rook des reukwerks, met de gebeden der heiligen, ging op van de hand des engels voor God.

  10. Openbaring 8:5ca. 96 n.Chr.

    En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving.

  11. Openbaring 8:6ca. 96 n.Chr.

    En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen.

  12. Openbaring 8:7ca. 96 n.Chr.

    En de eerste engel heeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel der bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand.

  13. Openbaring 8:8ca. 96 n.Chr.

    En de tweede engel heeft gebazuind, en er werd iets als een grote berg, van vuur brandende, in de zee geworpen; en het derde deel der zee is bloed geworden.

  14. Openbaring 8:9ca. 96 n.Chr.

    En het derde deel der schepselen in de zee, die leven hadden, is gestorven; en het derde deel der schepen is vergaan.

  15. Openbaring 8:10ca. 96 n.Chr.

    En de derde engel heeft gebazuind, en er is een grote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde deel der rivieren, en op de fonteinen der wateren.

  16. Openbaring 8:11ca. 96 n.Chr.

    En de naam der ster wordt genoemd Alsem; en het derde deel der wateren werd tot alsem; en vele mensen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden.

  17. Openbaring 8:12ca. 96 n.Chr.

    En de vierde engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren; opdat het derde deel derzelve zou verduisterd worden, en dat het derde deel van den dag niet zou lichten; en van den nacht desgelijks.

  18. Openbaring 8:13ca. 96 n.Chr.

    En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden des hemels, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, dengenen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen der bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen.

  19. Openbaring 9:1ca. 96 n.Chr.

    En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds.

  20. Openbaring 9:2ca. 96 n.Chr.

    En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook eens groten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts.

  21. Openbaring 9:3ca. 96 n.Chr.

    En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.

  22. Openbaring 9:4ca. 96 n.Chr.

    En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.

  23. Openbaring 9:5ca. 96 n.Chr.

    En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft.

  24. Openbaring 9:6ca. 96 n.Chr.

    En in die dagen zullen de mensen den dood zoeken, en zullen dien niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden.

  25. Openbaring 9:7ca. 96 n.Chr.

    En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk, die tot den oorlog bereid zijn; en op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, en hun aangezichten als aangezichten van mensen.