Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.

  2. Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.

  3. Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.

  4. Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!

  5. Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.

  6. HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.

  7. Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.

  8. Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?

  9. Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.

  10. Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.

  11. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.

  12. Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.

  13. Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!

  14. Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!

  15. Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.

  16. HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.

  17. Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.

  18. Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.

  19. Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.

  20. Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.

  21. Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.

  22. Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.

  23. De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.

  24. De HEERE is hunlieder Sterkte, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.

  25. Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.