- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Waarom verdraagt God onrecht?
Job 24:1-12
1
Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
2
Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.
3
Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand.
4
Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
5
Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.
6
Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des goddelozen lezen zij af.
7
Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude.
8
Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen.
9
Zij rukken het weesje van de borst, en dat over den arme is, nemen zij te pand.
10
Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen.
11
Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig.
12
Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel der verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds.
Settings