Skip to content
1 Kronieken 6:16-49

1 Kronieken 6:16-49

16
Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.
17
En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simei.
18
En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
19
De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.
20
Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
21
Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
22
De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
23
Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;
24
Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
25
De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.
26
Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;
27
Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
28
De zonen van Samuel nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.
29
De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;
30
Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
31
Dezen nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het huis des HEEREN, nadat de ark tot rust gekomen was.
32
En zij dienden voor den tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis des HEEREN te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt.
33
Dezen nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joel, den zoon van Samuel,
34
Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,
35
Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,
36
Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
37
Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,
38
Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
39
En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea,
40
Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
41
Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
42
Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
43
Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
44
Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,
45
Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,
46
Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
47
Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.
48
Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods.
49
Aaron nu en zijn zonen rookten op het altaar des brandoffers, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al het werk van het heilige der heiligen, en om over Israel verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht Gods, geboden had.
Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Options