Skip to content

Bijbelverzen over Liberality: General references

135 verzen · 55 aspecten

Verzen over General references

Filter op boek
  1. Uw volheid en uw tranen zult gij niet uitstellen; den eerstgeborene uwer zonen zult gij Mij geven.

  2. Desgelijks zult gij doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op den achtsten dag zult gij ze Mij geven.

  3. Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  4. Spreek tot de kinderen Israels, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gij Mijn hefoffer nemen.

  5. Dit nu is het hefoffer, hetwelk gij van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper;

  6. Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar.

  7. En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;

  8. Olie tot den luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;

  9. Sardonixstenen, en vervullende stenen tot den efod, en tot den borstlap.

  10. En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.

  11. Verder sprak Mozes tot de ganse vergadering der kinderen Israels, zeggende: Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft, zeggende:

  12. Neemt van hetgeen, dat gijlieden hebt, een hefoffer den HEERE; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer des HEEREN: goud, en zilver, en koper;

  13. Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar;

  14. En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;

  15. En olie tot den luchter, en specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;

  16. En sardonixstenen, en vervullende stenen, tot den efod en tot den borstlap.

  17. En allen, die wijs van hart zijn onder ulieden, zullen komen, en maken alles, wat de HEERE geboden heeft:

  18. De tabernakel, zijn tent en zijn deksel, zijn haakjes en zijn berderen, zijn richelen, zijn pilaren, en zijn voeten;

  19. De ark en haar handbomen, het verzoendeksel en den voorhang des deksels;

  20. De tafel en haar handbomen, en al haar gereedschap, en de toonbroden;

  21. En den kandelaar tot het licht, en zijn gereedschap, en zijn lampen, en de olie tot het licht;

  22. En het reukaltaar, en zijn handbomen, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen; en het deksel der deur aan de deur des tabernakels;

  23. Het altaar des brandoffers, en den koperen rooster, dien het hebben zal, zijn handbomen, en al zijn gereedschappen; het wasvat en zijn voet.

  24. De behangselen des voorhofs, zijn pilaren en zijn voeten; en het deksel van de poort des voorhofs;

  25. De nagelen des tabernakels, en de pennen des voorhofs, met derzelver zelen;