Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.

  2. Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.

  3. Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.

  4. Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.

  5. Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.

  6. En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.

  7. De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.

  8. Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.

  9. Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.

  10. Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; [ (Psalms 69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen. ]

  11. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.

  12. Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!

  13. Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt! [ (Psalms 70:6) Doch ik ben ellendig en nooddruftig; o God, haast U tot mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; HEERE, vertoef niet! ]

  14. Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.

  15. Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.

  16. Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.

  17. Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.

  18. Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.

  19. Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.

  20. Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht.

  21. Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.

  22. Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.

  23. O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.

  24. Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken.

  25. Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet.