Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop.

  2. Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding;

  3. Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;

  4. Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.

  5. Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.

  6. Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man;

  7. Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.

  8. Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.

  9. Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!

  10. Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.

  11. Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.

  12. Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?

  13. Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;

  14. Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?

  15. Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.

  16. Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.

  17. Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.

  18. Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.

  19. Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben;

  20. Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.

  21. Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?

  22. Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.

  23. Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.

  24. Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij Hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek.

  25. Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God.