Bijbelverzen over Journey of Israel Through The Desert: Marked by constant murmurings and rebellions
Verzen over Marked by constant murmurings and rebellions
Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.
Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.
En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.
En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.
En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.
Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.
Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.
Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.
Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.
En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN.
De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram.
En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.
Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.
En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.
Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;
Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.
Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.
Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.
Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.
Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;
En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.
Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten.
En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.
Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.
En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.