De ontembare macht van de Leviathan
20
Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
21
Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
22
Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?
23
Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?
24
Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?
25
Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?
26
Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?
27
Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.
28
Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?
41:1
Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
2
Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein