Job 39:22-28
22
Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?
23
Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.
24
Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.
25
Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.
26
Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
27
Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.
28
In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.
Settings