Skip to content
Job 30:1-8

Job 30:1-8

1
Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.
2
Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.
3
Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.
4
Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.
5
Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),
6
Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.
7
Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.
8
Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.
Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Options