Naar de inhoud

Bijbelverzen over The Tribe Of Simeon

50 verzen · 21 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEERE gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon.

  2. Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld!

  3. Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.

  4. Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israel.

  5. Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

  6. Van de zonen van Simeon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;

  7. Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  8. En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.

  9. Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  10. Op den vijfden dag offerde den overste der kinderen van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

  11. Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

  12. Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;

  13. Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

  14. Een geitenbok, ten zondoffer;

  15. En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Selumiel, den zoon van Zurisaddai.

  16. Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.

  17. En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

  18. Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.

  19. Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend.

  20. De naam nu des verslagenen Israelietischen mans, die verslagen was met de Midianietin, was Zimri, de zoon van Salu, een overste van een vaderlijk huis der Simeonieten.

  21. De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;

  22. Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.

  23. Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.

  24. En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;

  25. Dezen zullen staan, om het volk te zegenen op den berg Gerizim, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin.