Skip to content

Bijbelverzen over Pleasure: Worldly

40 verzen · 1 aspect

Verzen over Worldly

Filter op boek
  1. Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,

  2. Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;

  3. Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

  4. Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.

  5. Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.

  6. Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.

  7. In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

  8. De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.

  9. De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.

  10. Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.

  11. En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.

  12. Ik zeide in mijn hart: Nu, welaan, ik zal u beproeven door vreugde; derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid.

  13. Tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze?

  14. Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vlees op te houden in den wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat den kinderen der mensen het best ware, dat zij doen zouden onder den hemel, gedurende het getal der dagen huns levens.

  15. Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.

  16. Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte bomen in dezelve, van allerlei vrucht.

  17. Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud, dat met bomen groende.

  18. Ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen, die voor mij te Jeruzalem geweest waren.

  19. Ik vergaderde mij ook zilver en goud, en kleinoden der koningen en der landschappen; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden der mensenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel.

  20. En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die voor mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijn wijsheid mij bij.

  21. En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik hun niet; ik wederhield mijn hart niet van enige blijdschap, maar mijn hart was verblijd vanwege al mijn arbeid; en dit was mijn deel van al mijn arbeid.

  22. Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot den arbeid, dien ik werkende gearbeid had; ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes, en daarin was geen voordeel onder de zon.

  23. Daarna wendde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zou een mens, die den koning nakomen zal, doen hetgeen alrede gedaan is?

  24. Toen zag ik, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis.

  25. Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!