Naar de inhoud

circa 1446 BC

Sinai & The Law

God meets Israel at Mount Sinai, reveals the Ten Commandments, and establishes the Tabernacle and the priestly covenant.

1,657 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Leviticus 19:17ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.

  2. Leviticus 19:18ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE!

  3. Leviticus 19:19ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult Mijn inzettingen houden; gij zult geen tweeerlei aard uwer beesten laten samen te doen hebben; uwen akker zult gij niet met tweeerlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeerlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.

  4. Leviticus 19:20ca. 1490 v.Chr.

    En wanneer een man, door bijligging des zaads, bij een vrouw zal gelegen hebben, die een dienstmaagd is, bij den man versmaad, en geenszins gelost is, en haar geen vrijheid is gegeven; die zullen gegeseld worden; zij zullen niet gedood worden; want zij was niet vrij gemaakt.

  5. Leviticus 19:21ca. 1490 v.Chr.

    En hij zal zijn schuldoffer den HEERE aan de deur van de tent der samenkomst brengen, een ram ten schuldoffer.

  6. Leviticus 19:22ca. 1490 v.Chr.

    En de priester zal met den ram des schuldoffers, voor hem over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht des HEEREN verzoening doen; en hem zal vergeving geschieden van zijn zonde, die hij gezondigd heeft.

  7. Leviticus 19:23ca. 1490 v.Chr.

    Als gij ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte ter spijze geplant zult hebben, zo zult gij de voorhuid daarvan, deszelfs vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden.

  8. Leviticus 19:24ca. 1490 v.Chr.

    Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor den HEERE.

  9. Leviticus 19:25ca. 1490 v.Chr.

    En in het vijfde jaar zult gij deszelfs vrucht eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben de HEERE, uw God!

  10. Leviticus 19:26ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult niets met het bloed eten. Gij zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.

  11. Leviticus 19:27ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult gij de hoeken uws baards niet verderven.

  12. Leviticus 19:28ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben de HEERE!

  13. Leviticus 19:29ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld worde.

  14. Leviticus 19:30ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!

  15. Leviticus 19:31ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben de HEERE, uw God!

  16. Leviticus 19:32ca. 1490 v.Chr.

    Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de HEERE!

  17. Leviticus 19:33ca. 1490 v.Chr.

    En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, gij zult hem niet verdrukken.

  18. Leviticus 19:34ca. 1490 v.Chr.

    De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben de HEERE, uw God!

  19. Leviticus 19:35ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.

  20. Leviticus 19:36ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb!

  21. Leviticus 19:37ca. 1490 v.Chr.

    Daarom zult gij al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben de HEERE!

  22. Leviticus 20:1ca. 1490 v.Chr.

    Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  23. Leviticus 20:2ca. 1490 v.Chr.

    Gij zult ook tot de kinderen Israels zeggen: Een ieder uit de kinderen Israels, of uit de vreemdelingen, die in Israel als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad den Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk des lands zal hem met stenen stenigen.

  24. Leviticus 20:3ca. 1490 v.Chr.

    En Ik zal Mijn aangezicht tegen dien man zetten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien; want hij heeft van zijn zaad den Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heiligen Naam ontheiligen zou.

  25. Leviticus 20:4ca. 1490 v.Chr.

    En indien het volk des lands hun ogen enigzins verbergen zal van dien man, als hij van zijn zaad den Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet dode;