Naar de inhoud

Moses

774 verzen · 7 familieleden

Verzen die Moses noemen

Filter op boek
  1. Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.

  2. En de HEERE zeide tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de kinderen Israels, van een maand oud en daarboven; en neem het getal hunner namen op.

  3. Mozes dan telde, gelijk als de HEERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels.

  4. En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  5. Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten.

  6. En Mozes gaf dat geld der gelosten aan Aaron en aan zijn zonen, naar het bevel des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

  7. En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  8. En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  9. En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  10. Mozes dan en Aaron, en de oversten der vergadering telden de zonen der Kahathieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen:

  11. Dit zijn de getelden van de geslachten der Kahathieten, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.

  12. Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Gerson, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron telden, naar het bevel des HEEREN.

  13. Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merari, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.

  14. Al de getelden, welke Mozes en Aaron, en de oversten van Israel geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen,

  15. Men telde hen, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn getelden waren, die de HEERE Mozes geboden had.

  16. En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  17. En de kinderen Israels deden alzo, en zonden hen tot buiten het leger; gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had, alzo deden de kinderen Israels.

  18. Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  19. Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  20. En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  21. En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  22. En het geschiedde ten dage, als Mozes geeindigd had den tabernakel op te richten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelve geheiligd had;

  23. En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  24. Alzo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten.

  25. En de HEERE zeide tot Mozes: Elke overste zal, een iegelijk op zijn dag, zijn offerande offeren, ter inwijding des altaars.