Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.

  2. De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.

  3. Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.

  4. Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.

  5. Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.

  6. Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!

  7. Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.

  8. En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.

  9. Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.

  10. Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.

  11. Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!

  12. Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.

  13. Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.

  14. De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.

  15. Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.

  16. Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.

  17. Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.

  18. Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.

  19. Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;

  20. Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;

  21. Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.

  22. Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,

  23. Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.

  24. Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.

  25. Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.