Skip to content

Psalmen 72

Gebed om de rechtvaardige heerschappij van de koning 1–4

1
Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.
2
Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
3
De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.
4
Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.

De duur en aard van de heerschappij 5–7

5
Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.
6
Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.
7
In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.

Wereldwijde heerschappij en onderwerping 8–11

8
En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.
9
De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.
10
De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
11
Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.

De koning als verlosser van de behoeftigen 12–14

12
Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.
13
Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen.
14
Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.

Voorspoed en eeuwige roem 15–17

15
En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen.
16
Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.
17
Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.

Lofprijzing en besluit 18–20

18
Geloofd zij de HEERE God, de God Israels, Die alleen wonderen doet.
19
En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen.
20
De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde.

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein