Romeinen 12:1-10
1
Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.
2
En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.
3
Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft.
4
Want gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben;
5
Alzo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden.
6
Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is,
7
Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren;
8
Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.
9
De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.
10
Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande.
Settings