Psalmen 8:4-9
4
Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
5
Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?
6
En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
7
Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
8
Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
9
Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein