Skip to content

Psalmen 8

Gods uitnemende Naam en heerlijkheid 1–3

1
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.
2
O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
3
Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

Overdenking van de hemelen 4–5

4
Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
5
Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

De verheven positie en heerschappij van de mens 6–10

6
En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
7
Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
8
Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
9
Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.
10
O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein