Skip to content
Psalmen 39:10-13

Psalmen 39:10-13

10
Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
11
Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.
12
Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
13
Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein