Skip to content
Ezra 2:1-34

Ezra 2:1-34

De teruggekeerde ballingen en hun leiders

1
Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad;
2
Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.

Register van de gewone Israëlieten

3
De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4
De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
5
De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
6
De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.
7
De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
8
De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
9
De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10
De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11
De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
12
De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
13
De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig.
14
De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.
15
De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig.
16
De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.
17
De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
18
De kinderen van Jora, honderd en twaalf.
19
De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.
20
De kinderen van Gibbar, vijf en negentig.
21
De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
22
De mannen van Netofa, zes en vijftig.
23
De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.
24
De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
25
De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
26
De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
27
De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
28
De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.
29
De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
30
De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.
31
De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
32
De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
33
De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
34
De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.

Zie ook

Waar de Schrift dit nog meer zegt.

  • 2 Koningen 24:14

    En hij voerde gans Jeruzalem weg, mitsgaders al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk des lands.
    vanuit vers 1
  • 2 Koningen 24:16

    En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; dezen bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel.
    vanuit vers 1
  • 2 Koningen 25:11

    Het overige nu des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot den koning van Babel gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg.
    vanuit vers 1
  • Nehemia 7:6

    Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;
    vanuit vers 1
  • Nehemia 7:73

    En de priesters, en de Levieten, en de poortiers, en de zangers, en sommigen van het volk, en de Nethinim, en gans Israel, woonden in hun steden.
    vanuit vers 1
  • Haggaï 1:12

    Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
    vanuit vers 2
  • Haggaï 1:14

    Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
    vanuit vers 2
  • Haggaï 2:4

    Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
    vanuit vers 2
  • Nehemia 7:7

    Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
    vanuit vers 2
  • Ezra 8:3

    Van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan manspersonen, honderd en vijftig.
    vanuit vers 3
  • Nehemia 7:11

    De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
    vanuit vers 6
  • Ezra 8:13

    En van de laatste kinderen van Adonikam, welker namen deze waren: Elifelet, Jehiel, en Semaja; en met hen zestig manspersonen.
    vanuit vers 13

Waar dit gebeurt

Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Options