Esther 9:7
Vers 7 wordt getoond met de omringende context.
4
Want Mordechai was groot in het huis des konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man, Morde chai, werd doorgaans groter.
5
De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des zwaards, en der doding, en der verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen.
6
En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen.
7
En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata,
8
En Poratha, en Adalia, en Aridatha,
9
En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha,
10
De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein