Skip to content
1 Timotheüs 1:5

1 Timotheüs 1:5

Vers 5 wordt getoond met de omringende context.
2
Aan Timotheus, mijn oprechten zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onzen Vader, en Christus Jezus, onzen Heere.
3
Gelijk ik u vermaand heb, dat gij te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonie reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat gij sommigen beveelt geen andere leer te leren;
4
Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is.
5
Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof.
6
Van dewelke sommigen afgeweken zijnde, zich gewend hebben tot ijdelspreking;
7
Willende leraars der wet zijn, niet verstaande, noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen.
8
Doch wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt;

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein