Naar de inhoud

Bijbelverzen over The Poor: Acting unjustly towards

9 verzen · 92 aspecten

Verzen over Acting unjustly towards

  1. Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;

  2. Dit is het deel des goddelozen mensen van God, en de erve zijner redenen van God.

  3. Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen.

  4. Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.

  5. Wee dengenen, die ongerechte inzettingen inzetten, en den schrijvers, die moeite voorschrijven;

  6. Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen Mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!

  7. Maar wat zult gijlieden doen ten dage der bezoeking, en der verwoesting, die van verre komen zal? Tot wien zult gij vlieden om hulp, en waar zult gij uw heerlijkheid laten?

  8. Daarom, omdat gij den arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt gij wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenste wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken.

  9. Want Ik weet, dat uw overtredingen menigvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen den rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de nooddruftigen in de poort.