Naar de inhoud

Bijbelverzen over The Anger of God

46 verzen · 43 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.

  2. Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.

  3. Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.

  4. En zij stonden des morgens vroeg op, en klommen op de hoogte des bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de HEERE gezegd heeft; want wij hebben gezondigd!

  5. Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des HEEREN? Want dat zal geen voorspoed hebben.

  6. Trekt niet op, want de HEERE zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezicht uwer vijanden.

  7. Want de Amalekieten, en de Kanaanieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want, omdat gij u afgekeerd hebt van den HEERE, zo zal de HEERE met u niet zijn.

  8. Nochtans poogden zij vermetel, om op de hoogte des bergs te klimmen; maar de ark des verbonds des HEEREN en Mozes scheidden niet uit het midden des legers.

  9. Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaanieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.

  10. De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.

  11. Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.

  12. Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?

  13. Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.

  14. Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.

  15. En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.

  16. En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.

  17. Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;

  18. Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;

  19. Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.

  20. Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.

  21. Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

  22. Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

  23. Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.

  24. En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden.

  25. Ik heb wel gehoord, dat zich Efraim beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!