Skip to content

Bijbelverzen over Ignorance: General references

46 verzen · 2 aspecten

Verzen over General references

Filter op boek
  1. Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?

  2. Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?

  3. Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?

  4. De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.

  5. Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?

  6. Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.

  7. Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?

  8. Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?

  9. Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;

  10. En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;

  11. Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.

  12. In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;

  13. En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;

  14. Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

  15. Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

  16. En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:

  17. Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;

  18. Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.

  19. Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;

  20. Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt;

  21. Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.

  22. Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;

  23. Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.

  24. Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.

  25. Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.