Skip to content

Bijbelverzen over Honesty: General references

16 verzen · 1 aspect

Verzen over General references

  1. Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.

  2. Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb!

  3. Gij zult geen tweeerlei weegstenen in uw zak hebben; een groten en een kleinen.

  4. Gij zult in uw huis geen tweeerlei efa hebben, een grote en een kleine.

  5. Gij zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; gij zult een volkomene en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.

  6. Want al wie zulks doet, is den HEERE, uw God, een gruwel; ja, al wie onrecht doet.

  7. Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.

  8. HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;

  9. Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het gewin der onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;

  10. Die zal in de hoogten wonen, de sterkten der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis.

  11. En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen?

  12. En hij zeide tot hen: Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is.

  13. Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet;

  14. Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.

  15. En dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u bevolen hebben;

  16. Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van node hebt.