Skip to content

Bijbelverzen over Gadarenes

26 verzen · 1 aspect

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesenen, zijn Hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door dien weg kon voorbij gaan.

  2. En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met U te doen? Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?

  3. En verre van hen was een kudde veler zwijnen, weidende.

  4. En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.

  5. En Hij zeide tot hen: Gaat heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water.

  6. En die ze weidden, zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al deze dingen, en wat den bezetenen geschied was.

  7. En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken.

  8. En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen.

  9. En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest;

  10. Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.

  11. Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.

  12. En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.

  13. Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.

  14. En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!

  15. (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!)

  16. En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.

  17. En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.

  18. En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende.

  19. En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.

  20. En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee.

  21. En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was.

  22. En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.

  23. En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen.

  24. En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.

  25. En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.