Naar de inhoud

Merari

38 verzen · 7 familieleden

Verzen die Merari noemen

Filter op boek
  1. De overige kinderen van Merari hadden van den stam van Zebulon: Rimmono en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;

  2. Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;

  3. Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.

  4. Zo stelden dan de Levieten Heman, den zoon van Joel, en uit zijn broederen Asaf, den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broederen, Ethan, den zoon van Kusaja;

  5. En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari.

  6. De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis.

  7. De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno.

  8. De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.

  9. En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen; Simri was het hoofd; (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, nochtans stelde hem zijn vader tot een hoofd).

  10. Dit zijn de verdelingen der poortiers van de kinderen der Korahieten, en der kinderen van Merari.

  11. Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joel, de zoon van Azarja, van de kinderen der Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleel; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;

  12. En die mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over dezelve waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, mitsgaders Zacharia en Mesullam, van de kinderen der Kohathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.

  13. En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;