Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.

  2. Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.

  3. Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.

  4. Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.

  5. De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.

  6. Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.

  7. De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.

  8. Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.

  9. Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.

  10. Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.

  11. Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!

  12. Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israel Zijn volkomene heerschappij.

  13. Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;

  14. Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.

  15. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?

  16. Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.

  17. Israel! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

  18. Gij huis van Aaron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

  19. Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

  20. De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.

  21. Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.

  22. De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.

  23. Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

  24. Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.

  25. De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.