God
Verzen die God noemen
Van den glans voor Hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.
De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.
En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.
En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.
Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.
En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.
De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen, daarvan week ik niet af.
Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.
Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren; bij den oprechten held houdt Gij U oprecht.
Bij den reine houdt Gij U rein; maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid.
En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.
Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren.
Want met U loop ik door een bende; met mijn God spring ik over een muur.
Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
Want wie is God, behalve de HEERE, en wie is een rotssteen, behalve onze God?
God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend.
Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils, en door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt.
Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.
Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen mijns heils!
De God, Die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt;