Skip to content

Psalmen 6

Een smeekbede om genade en verlichting van het oordeel 1–4

1
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.
2
O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
3
Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
4
Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?

De noodzakelijkheid van het leven om God te loven 5–6

5
Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
6
Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

Moeheid en verdriet om de vijanden 7–8

7
Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.
8
Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.

Vertrouwen op Gods antwoord 9–11

9
Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.
10
De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.
11
Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein