Psalmen 54
Davids gebed in nood 1–5
1
Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth;
2
Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?
3
O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.
4
O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds.
5
Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.
Zekerheid van Gods hulp 6–7
6
Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
7
Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid.
Gelofte van lofprijzing en dankzegging 8–9
8
Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed.
9
Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein
Study note