Skip to content

Psalmen 5

Een morgengebed om Gods aandacht 1–4

1
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
2
O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
3
Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
4
Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.

Gods heiligheid en haat tegen het kwaad 5–7

5
Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
6
De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
7
Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.

De rechtvaardige toenadering van de psalmist 8–9

8
Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
9
HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.

Het bedrog van de vijanden 10–11

10
Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
11
Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.

Vertrouwen op Gods bescherming 12–13

12
Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.
13
Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas.

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein