Psalmen 69:8-12
8
Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
9
Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
10
Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
11
En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
12
En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
Settings