Skip to content
Mattheüs 4:5-11

Mattheüs 4:5-11

5
Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;
6
En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.
7
Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.
8
Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;
9
En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.
10
Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
11
Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein