Skip to content
Leviticus 11:13-20

Leviticus 11:13-20

13
En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,
14
En de gier, en de kraai, naar haar aard;
15
Elke rave naar haar aard;
16
En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
17
En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
18
En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
19
En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
20
Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
Settings

Reading style

Typeface

Font size 19px

Reading width 75 chars

Options