Leviticus 11:13-19
13
En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,
14
En de gier, en de kraai, naar haar aard;
15
Elke rave naar haar aard;
16
En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
17
En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
18
En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
19
En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
Settings