Job 19:13-20
13
Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.
14
Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.
15
Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.
16
Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.
17
Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil.
18
Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.
19
Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.
20
Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.
Settings