Deuteronomium 2:1-4
1
Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, den weg van de Schelfzee, gelijk de HEERE tot mij gesproken had, en wij togen om het gebergte Seir, vele dagen.
2
Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende:
3
Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden;
4
En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken aan de landpale uwer broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar gij zult u zeer wachten.
Settings