1 Koningen 4:1-14
1
Alzo was de koning Salomo koning over gans Israel.
2
En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was opperambtman.
3
Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
4
En Benaja, de zoon van Jojada, was over het heir; en Zadok en Abjathar waren priesters.
5
En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, des konings vriend.
6
En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.
7
En Salomo had twaalf bestelmeesters over gans Israel, die den koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen.
8
En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraim.
9
De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.
10
De zoon van Hesed in Arubboth; hij had daartoe Socho en het ganse land Hefer.
11
De zoon van Abinadab had de ganse landstreek van Dor; deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot een vrouw.
12
Baana, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het ganse Beth-Sean, hetwelk is bij Zartana, beneden van Jizreel, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehola, tot op gene zijde van Jokmeam.
13
De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jair, den zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.
14
Abinadab, de zoon van Iddo, was te Mahanaim.
Settings