Skip to content

Luz

6 verses

31.9300, 35.2200 Bekijk op Google Maps

Verzen die Luz noemen

  1. En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.

  2. Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaan (dat is Beth-El), hij en al het volk, dat bij hem was.

  3. Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaan, en Hij heeft mij gezegend;

  4. En het komt van Beth-El uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale des Archiets, tot Ataroth toe;

  5. En van daar gaat de landpale door naar Luz, aan de zijde van Luz, welke is Beth-El, zuidwaarts; en deze landpale gaat af naar Atroth-Addar, aan den berg, die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-Horon is.

  6. En het huis van Jozef bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz.