Skip to content

Micah

8 verzen · 5 familieleden

Ook bekend als: Micha

Verzen die Micah noemen

  1. Als die nu ten huize van Micha waren ingegaan, en het gesneden beeld, den efod, en de terafim, en het gegoten beeld weggenomen hadden, zo zeide de priester tot hen: Wat doet gijlieden?

  2. Als zij nu verre van Micha's huis gekomen waren, zo werden de mannen, zijnde in de huizen, die bij het huis van Micha waren, bijeengeroepen, en zij achterhaalden de kinderen van Dan.

  3. Alzo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis Gods te Silo was.

  4. Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.

  5. En Jonathans zoon was Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.

  6. De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaarea, en Achaz.

  7. En Jonathans zoon van Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.

  8. De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaerea.