God
Verzen die God noemen
En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.
Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.
Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.
De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in der eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?
Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.
Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!
Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.
Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?
Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.