God
Verzen die God noemen
Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.
Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.
Een psalm, een lied, op den sabbatdag.
Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!
Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.
Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.
Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.
Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!
Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.
De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.
In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, [ (Psalms 92:16) Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. ]
De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.
Van toen af is Uw troon bevestigd, Gij zijt van eeuwigheid af.
De rivieren verheffen, o HEERE! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting.
Doch de HEERE in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee.
Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE! tot lange dagen.
O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende.
Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.
Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?
O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.
En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?
Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert?
De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,