De dood nabij en volkomen verlatenheid
4
Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.
5
Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;
6
Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.
7
Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.
8
Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.
9
Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.
10
Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein