Psalmen 66:1-12
1
Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
2
Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
3
Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.
4
De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
5
Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.
6
Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
7
Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
8
Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
9
Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.
10
Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;
11
Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;
12
Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.
Settings